Pinksteren – interview met de Heilige Geest
We hebben tevoren elkaar per telefoon gesproken en onze agenda's getrokken voor een afspraak. Hij heeft aangegeven mij het liefst ergens in het hart van de stad te ontmoeten. Ik stel voor dat in een kerk te doen, maar dat vindt hij te voorspelbaar. De meeste kerken zijn ook dicht. Een café dan misschien? ‘Dat lijkt me beter’, hoor ik hem zeggen, 'ergens in de Warmoesstraat.’ ‘Nogal lawaaiig voor een gesprek’, zeg ik. ‘Niet erg’, zegt hij, ‘ik houd van reuring’.
Op vrijdagmiddag tegen vijven loop ik in de Warmoesstraat. Het is warm, overal hangen toeristen rond, ik hoor Engels, Spaans, Japans, ik loop hier te midden van de wereld. Ik zie op tegen deze ontmoeting. Een gesprek met de Heilige Geest, dat is nieuw voor mij. Ik mag hem alles vragen heeft hij gezegd.
Bij binnenkomst in het café kijk ik rond of hij er al is. Genoeg mensen, maar niemand reageert op mijn zoekende blik. Hij zal er nog niet zijn. Ik heb geen idee hoe hij eruit ziet. Ik ga aan een tafel voor het open raam zitten en bestel bier. Even na vijven komt er een lange, slanke man binnen met kort blond haar en een fijnbesnaard gebruind gezicht. Hij draagt een vale spijkerbroek met daaronder gympen en een zwart shirt met korte mouwen, waaronder nog net de randen van een tatoeage zichtbaar zijn. Dit kan hem niet zijn, denk ik, maar hij komt recht op mij af. ‘Jij bent de man van de afspraak’, zegt hij. ‘Dat klopt’, zeg ik en voel me betrapt. ‘Ik weet al het één en ander van je’, zegt hij. Hij lacht. ‘Hoe wil je dat ik je noem’, vraag ik. ‘Gewoon Geest', zegt hij. Hij kijkt naar mijn glas en vraagt mij naar het bier. ‘Dat is Leffe’, zeg ik, kloosterbier, ‘mijn traditie op de vrijdagmiddag’. ‘Doe mij dat ook maar’, zegt hij, ‘ik heb wat met tradities. Wat wil je weten?’ ‘Ik heb een paar lastige vragen voor je’, zeg ik. ‘Kom maar op’, zegt hij.
Je wordt als Geest in verband gebracht met het onstuimige begin van de kerk, met enthousiasme, wind en vuur, kortom: met beweging. Daarvan zien we weinig meer. Kerken zijn vaak starre en verouderde instituten geworden. Is jouw rol uitgespeeld?
‘Dat de kerk star en verouderd is, laat ik voor jouw rekening. Maar er is wel een probleem. Alle bewegingen worden gaandeweg trager en lopen niet zelden vast. Ook de kerk ontkomt daar niet aan. Een mens koestert soms de vormen die hij tot stand brengt, met het risico dat hij uiteindelijk niet meer weet waartoe die vormen dienen. Het is als met deze fles waarvan het glas is ontworpen om het bier gemakkelijk te kunnen vervoeren. Een vinding van wereldformaat. Maar ook niet meer dan dat. De vorm dient de inhoud en niet andersom. Het bier is voor jou bestemd en voor mij, niet voor het flesje.’
En wat als het flesje belangrijker wordt dan het bier?
‘Dan is het mijn taak om het flesje stuk te slaan.’
Op het gevaar af dat de inhoud wegloopt?
‘Nee, met het doel de inhoud zichtbaar te maken.’
Was dat ook jouw rol met Pinksteren?
‘In zekere zin wel. Toen Petrus en de andere apostelen begonnen te vertellen over Jezus, merkten ze dat hun boodschap niet beperkt bleef tot hun eigen taalgebied. De vreemdelingen die hen aanhoorden verstonden hen alsof ze in hun eigen taal werden toegesproken. De taalgrenzen werden door mij kapotgeslagen.’
En wat was dan die boodschap?
‘Als ik het heel kort samenvat: liefde. Grenzeloze liefde, die bestand is tegen alle teleurstelling, tegen alle haat en verraad. Liefde ook die achter de grenzen van de dood onuitroeibaar bleek. Deze liefde, die sterker bleek te zijn dan de dood, kon niet opgesloten blijven binnen één taal, binnen één land.’
In de traditie van de kerk word je de Heilige Geest genoemd. Er is ook zoiets als de tijdgeest. Heb je daar iets mee?
‘Nagenoeg niets. De tijdgeest dwingt en schrijft voor hoe mensen moeten leven. Terwijl de meeste van hen menen onafhankelijk en vrij te zijn, zijn ze vooral bezig zich af te stemmen op modes en gewoontes. Nauwlettend houden ze in de gaten wat iedereen doet, om maar niet uit de toon te vallen. Voor mij is dat te vermoeiend.’
Toch zie ik ook bij jou een tatoeage...
‘Het feit dat ik niets met de tijdgeest heb, wil nog niet zeggen dat deze mij niet beïnvloedt. Een zeker aanpassingsvermogen is ook mij niet vreemd, maar ik moet er niet onvrij door worden.’
Is vrijheid belangrijk?
‘Je kunt mij vangen in het woord vrijheid. Als je mij een andere naam zou willen geven, zou je me Vrijheid moeten noemen.’
En is die vrijheid even grenzeloos als de liefde?
‘Het gaat er niet om of de vrijheid grenzeloos is. Er bestaat, denk ik, geen grenzeloze vrijheid. Waar het om gaat is dat de vrijheid een kracht is die de weg voor de liefde baant.’
En is het misschien daarom dat ik je overal kan tegenkomen?
‘Ja, overal. In de kerk en de kroeg, in de stad of daarbuiten. Want zeg nou zelf, zou je één plek kunnen noemen waar de liefde niet zou willen zijn?’
Nee...
‘Nou dan, je moet de stad, het land in, weg van hier. Kom we gaan, ik betaal het bier.’
Gepubliceerd in Kerk in Mokum, blad voor kerk, cultuur en samenleving. Juni 2011

