Worden wij betere mensen?

Religie mag zich verheugen in een hernieuwde belangstelling. Voor de kerken is dit nog wat wennen, want geloof vormde de laatste decennia in het publieke debat vooral het mikpunt van spot. Christendom stond voor burgermansfatsoen, voor een achterhaalde moraal, die de emancipatie van het individu frustreerde. Tijden kunnen veranderen. Herman Vuijsje voert als atheist in zijn boek ´tot hier heeft de Heer ons geholpen´ een pleidooi voor instandhouding van de christelijke moraal. Kerken moeten zich met dit pleidooi niet rijk rekenen, want ze worden overbodig.

Vuijsje ziet een drietal oorzaken voor de terugkomst van God in het publieke debat. Er is sprake van een wetmatige pendulebeweging in de geschiedenis die God na dertig jaar afwezigheid weer op de kaart zet, er is een algemeen gevoelen dat de individualisering doorschiet én de islam is in opkomst. Een nieuw debat over het bestaan van God is volgens Vuijsje van generlei waarde, het leidt tot vruchteloze speculaties. Een herwaardering van het christendom is wel zinvol. Dit omdat het christendom universalistisch is en egalitair, alle mensen zijn gelijk voor God. Daarnaast is het christendom activistisch, het draagt bij aan een betere wereld. Dat komt tot uiting in de core bussiness van het christendom, sociale samenhang en moraal.

Om de moraal is het Vuijsje te doen. De Europese samenleving heeft de gewetensvorming aan het christendom te danken en het zou onzinnig zijn om dit niet te erkennen. De invoering van de bijbel in onze cultuur heeft bijgedragen aan een besef van normen en waarden waarvan de Tien Geboden het hart vormen. Het handhaven van die geboden werd lange tijd gesanctioneerd met behulp van het bestaan van het hiernamaals. Er was een God die meekeek, die na je dood rekenschap vroeg voor je daden. Dit geloof is inmiddels grotendeels verdwenen, door de ontkerkelijking, maar ook door de ontwikkeling binnen de protestantse theologie. De predestinatie, het idee dat het God het leven van een mens in de hemel voorbeschikt, vernietigde de relatie tussen het goede handelen en de beloning die daarvoor werd ontvangen. Het was niet langer mogelijk je een hemel te verwerven door goed te doen, het heilsbesluit over ieder mens lag bij voorbaat vast.

zondagschool Eben Haëzer, Geinzondagschool Eben Haëzer, Gein
Het wegvallen van de hemel als motivatie voor het goede handelen leidt tot een probleem. Waarom zou een mens het goede doen? De ideologieen van de Verlichting geven hierop antwoord. Het goede handelen leidt tot een heilstaat, leert het socialisme. Het hiernamaals krijgt daarmee een plek op aarde, weliswaar in een ver verschiet, maar uiteindelijk toch onder het handbereik van mensen. Vuijsje, afkomstig uit een socialistisch milieu krijgt deze optimistische mensvisie in zijn jonge jaren mee. De gedachte dat de mens van nature goed is wordt in de jaren van het nazisme definitief gelogenstraft. Een gedeelte van zijn familie wordt weggevoerd en komt niet meer terug. De ideologieen hebben zich laten verblinden door hun eigen visioen van het goede. De oorlog maakt duidelijk dat het goede handelen in eerste instantie kwaad bestrijden betekent.

Hoe moet het nu verder zonder hemel en heilstaat? Vuijsje komt tot een opmerkelijke conclusie: De mens kan het voortaan zelf. God heeft zich langzaam teruggetrokken uit onze westerse wereld. Hij heeft ons als opvoeder eerst streng toegesproken, ons regels geleerd en nu geconstateerd dat we het zelf kunnen. Een mens kan voortaan het goede doen omwille van het goede zelf, zonder daarvoor te hoeven worden beloond. Wel moet er een nieuw samenbindend verhaal worden gezocht nu ideologien en bijbel grotendeels hebben afgedaan. De Tweede Wereldoorlog kan het nieuwe ijkpunt van onze moraal worden. Het maakt deel uit van onze recente geschiedenis en is onderwerp van het seculiere ritueel dat ons op 4 en 5 mei samenbrengt.

Wat is nu nog de functie van het christendom? Niet veel meer dan een fase in de geschiedenis van de moraal. ´Het christendom bracht ons aanvankelijk een moreel geloof en heeft ons uiteindelijk een geloof in de moraal opgeleverd.´ Helemaal zonder de verhalen van het christendom kunnen we niet. Vuijsje kiest de parabel van de barmhartige Samaritaan als voorbeeld van goed handelen om het goede zelf. Met zijn hoogstaande ethiek is de Samaritaan ook nog eens iemand van een ander volk die met zijn solidariteit een grens overschrijdt. Hij wordt daarmee een aansprekend voorbeeld in een multiculturele samenleving en een globaliserende wereld. Naast de verhalen levert het christendom ook rituelen die als basis kunnen dienen voor een geseculariseerde moraal. Kerkgebouwen moeten bezinningsplekken blijven ook wanneer de christelijke gemeente is verdwenen.

Voor het overige is Vuijsje niet positief over de ontwikkeling van het kerkelijke christendom, dat grotendeels onder invloed van het ietsisme is komen staan. Dit ietsisme kan met zijn nadruk op individualiteit en gevoel nooit een basis vormen voor een ethiek, simpelweg omdat een verhaal ontbreekt. Het individu vlucht weg uit de werkelijkheid en de kerken gaan daarin mee. Vuijsje staaft deze ontwikkeling aan de verandering van het Godsbeeld. Was God in eerdere fasen straffend en corrigerend, nu is Hij meelijdend en zelfs begripsvol geworden. God is alleen nog instemmend aanwezig, Hij staat op het punt te verdwijnen.

De ontwikkeling van de ethiek van de mens leidt niet tot een heilstaat. Vuijsje komt hier op een verwarrend punt. Hij constateert dat de mens de normen tot goed doen uit zichzelf kan halen, maar ziet ook dat onze samenleving bedreigd wordt door een doorgeschoten individualisme en een toenemende hufterigheid. Het ´ik´ komt voor het wij, het individu neemt zichzelf als norm. De normen blijken toch niet in onze natuur te zitten. Dat de mens de mogelijkheid heeft om het goede te doen omwille van het goede alleen, wil nog niet zeggen dat de mens daar dan ook voor kiest.

Normering van het menselijk gedrag, kan niet zonder verhaal, van waaruit een mens wordt begrepen. Dat ziet Vuijsje natuurlijk ook gezien zijn pleidooi voor het verhaal van de Tweede Wereldoorlog. De vraag is dan; wie gaat dit verhaal vertellen? Daarop heeft hij geen antwoord. Het herdenken van de oorlog zal binnen de kaders van een cascoritueel moeten gebeuren, waarmee hij de contouren van een ritueel aanduidt waarbij iedereen zijn persoonlijke invulling kan geven. De kerk kan dit ritueel leveren.

Vuijsje heeft m.i. een punt wanneer hij stelt dat de kerken in het vaarwater van het ietsisme zijn terechtgekomen. Na de grote nadruk op het sociale handelen in de jaren tachtig en de inzet van de vredesbeweging lijkt alle ethiek tot het privédomein van de gelovige te zijn teruggebracht. Er wordt in de kerken nauwelijks gedebatteerd over het goede handelen, wellicht uit angst voor polarisatie of groepsdwang. Onder invloed van allerlei onderzoeken als ´God in Nederland´ lijkt het afnemende geloof in God het probleem voor de kerken te zijn. Maar misschien is dit maar schijn en ligt de werkelijke crisis van het christendom in de moeite het begrip mens te definieren. Van oudsher kenden we het begrip zondaar wanneer er over de mens in relatie tot God werd gesproken. Daar komen we nu niet meer mee weg. Vuijsje komt met het optimistische beeld van een mens die in zijn ethiek mede dankzij het christendom een beter mens is geworden. Een compliment aan de kerkgeschiedenis en tegelijkertijd een levensgrote vraag. Hoe goed zijn wij eigenlijk? Kunnen we zonder God? En is onze beschaving af en toe niet flinterdun?

Ferdinand Borger

Gepubliceerd in Woord&Dienst nr 20 - 26 oktober 2007 www.woordendienst.nl